 |
Download
Wat houdt VVE in?
Helpt het?
Kosten en baten
Gezinsgerichte
Beleids- ontwikkeling
Bereik kinderen
Taalimpuls
Landelijke structuur voorzieningen
Praktijk- voorbeelden
Aanbevolen literatuur
|
 |
Feiten en cijfers VVE
Stand van zaken in de voor- en vroegschoolse educatie
Wat houdt voor- en vroegschoolse educatie (VVE) in? Vanaf 2000 zijn er in Nederland belangrijke impulsen gegeven aan de voor- en vroegschoolse educatie. Voor- en vroegschoolse educatie houdt in dat kinderen op jonge leeftijd meedoen aan educatieve programma’s. De centrumprogramma’s beginnen in een peuterspeelzaal of kinderdagverblijf en lopen door in de eerste twee groepen van de basisschool. De doelstelling van het VVE beleid is om de ontwikkeling van kinderen uit autochtone en allochtone achterstandsgroepen zodanig te stimuleren dat zij hun kansen op een goede schoolloopbaan en maatschappelijke carrière worden vergroot. Een VVE programma kent een gestructureerde didactische aanpak en neemt een aantal dagdelen per week in beslag.
Helpt voor- en vroegschoolse educatie inderdaad? Er is over de hele wereld erg veel onderzoek gedaan naar de effecten van voor- en vroegschoolse educatie op kinderen. Uit deze onderzoeken komt in grote lijnen het volgende beeld naar voren; - De effecten van voor- en vroegschoolse programma’s op de cognitieve- en taalontwikkeling van kinderen kunnen, bij goede uitvoeringscondities, erg positief zijn. De kwaliteit van het programma en de uitvoering van het programma is daarbij van doorslaggevend belang. Bij slechtere kwaliteit nemen de effecten sterk af.
- Effecten op de sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen zijn veel minder aangetoond. Leseman wijst op de tegenstrijdigheid tussen cognitieve en sociaal emotionele doelen. Hij signaleert dat de didactische georiënteerde programma’s vaak tot betere resultaten in cognitie en schoolprestaties leiden, terwijl ontwikkelingsgerichte programma’s betere resultaten laten zien op het gebied van sociaal- emotionele en metacognitieve vaardigheden.
- In een aantal onderzoeken blijken de effecten van voorschoolse programma’s vrij snel uit te doven, maar soms worden ook vrij spectaculaire effecten op lange termijn aangetoond. Volgens het Innocenti Research Center van Unicef wordt dit soort effecten vooral gevonden bij kleine en dure programma’s van hoge kwaliteit. Volgens Leseman worden lange termijn effecten vooral gevonden bij combinatieprogramma’s van hoge pedagogische kwaliteit, met een relatief lange duur, intensieve deelname, en interventies gericht op kinderen én ouders.
De kosten en baten van VVE De baten van VVE programma’s zijn volgens bijna alle kosten- baten analyses hoger dan de kosten. Een verhouding van 2:1, oplopend tot 7:1 wordt mogelijk geacht (Cleveland en Krashinski), maar dan zijn in de baten zowel de effecten bij kinderen als de effecten van de werkende ouders (die kunnen werken omdat de kinderen worden opgevangen) meegenomen. Duidelijk is ook dat de grootste effecten haalbaar zijn bij kinderen uit achterstandsgroepen.
Bovenstaande gegevens zijn vooral afgeleid uit buitenlands onderzoek. In Nederland zijn er grote verschillen in kinderdagverblijven en peuterspeelzalen. Kinderdagverblijven zijn er vooral om ouders in de gelegenheid te stellen te werken en hebben tot nu toe nog maar zelden een sterke pedagogische aanpak ontwikkeld. Op de ontwikkeling van kinderen hebben ze volgens het Sociaal en Cultureel Planbureau dan ook een negatief effect, maar ze leveren veel op doordat ze vooral moeders in staat stellen te werken. Peuterspeelzalen met een goede VVE aanpak hebben positieve effecten op de ontwikkeling van kinderen, maar kunnen vanwege het beperkt aantal dagdelen dat een kind er verblijft nauwelijks baten vanuit werkgelegenheid opleveren. De kosten - baten verhouding zal in Nederland dus mogelijk ongunstiger zijn dan in het buitenland, omdat wij twee aparte voorzieningen in stand houden die elk maar een deel van de te behalen opbrengsten realiseren.
Bij de inschatting van de kosten baten verhouding van investeringen in VVE moet er rekening mee worden gehouden dat de baten sterk afhankelijk zijn van de kwaliteit van de voorziening. Hogere kwaliteit betekent ook hogere kosten. Factoren die de kwaliteit bepalen zijn bijv. het aantal kinderen per leidster, de opleiding en bijscholing van leidsters, de intensiteit en duur van het programma, en de professionaliteit in de pedagogische aanpak. Verhoging van de kwaliteit vereist daarom stevige investeringen, maar levert ook op termijn het hoogste rendement. Het zoeken naar een goede balans tussen investeringen in kwaliteit en het realiseren van opbrengsten is daarom een cruciaal punt in VVE beleid.
Gezinsgerichte programma’s In Nederland bestaan er naast de VVE programma’s voor de voorschoolse voorzieningen en basisscholen tal van programma’s die zich richten op de gezinnen waarin de kinderen opgroeien. Het gaat dan om kindgerichte programma’s die door de ouders worden uitgevoerd. In bijna alle overzichtstudies waar onderzoeken naar deze programma’s op een rijtje worden gezet, luidt de conclusie dat deze over het algemeen minder effectief zijn dan centrumgerichte programma’s. Toch blijkt een aantal van de gezinsgerichte programma’s in Nederland goed te werken volgens evaluatie. Zo leverden de programma’s Opstap Opnieuw, Boekenpret en Overstap een aantal positieve resultaten op die niet onderdoen voor die van centrumgerichte programma’s. Opmerkelijk is ook de conclusie van Blok e.a. dat een combinatie van centrumgerichte en gezinsgerichte programma’s de beste aanpak lijkt te zijn om zowel cognitief als sociaal-emotioneel winst te boeken.
Het is al met al voorbarig om de gezinsgerichte programma’s als ineffectief ter zijde te schuiven, maar er moet bij het invoeren van een dergelijk programma wel zeer kritisch worden gekeken naar de kwaliteit en de gegevens over gebleken effectiviteit.
De beleidsontwikkeling Het VVE beleid kent in Nederland nog maar een korte geschiedenis. Na de ontwikkeling van enkele programma’s in de jaren ’90, is er vanaf 2000 geïnvesteerd in een breder VVE beleid. Met de eerste VVE regeling van april 2000 ontvingen 172 gemeenten subsidie voor dit beleid. Door een aanvullende regeling van juli 2001 kwamen hier nog eens 186 gemeenten bij. Sinds augustus 2002 zijn de VVE budgetten integraal onderdeel van het goa budget geworden. Veel gemeenten geven binnen goa de hoogste prioriteit aan VVE. De gemeenten worden geacht in 2006 de helft van het aantal kinderen met achterstanden met een VVE programma te bereiken. In 2003 lijkt het bereik gemiddeld op een niveau van ruim 25% te liggen.
Onder de programma’s die worden ingezet scoort Piramide met 64% het hoogst. In bijna alle grote gemeenten is voor Piramide gekozen. Kleinere gemeenten kiezen vaak voor een programma cocktail, waarbij een aantal minder dure programma’s in combinatie wordt aangeboden. De andere “grote” programma’s treffen we aan in 17% (Kaleidoscoop) en 24% (Startblokken) van de gemeenten.
Bereik van kinderen uit de doelgroepen Het VVE beleid is gericht op kinderen uit achterstandsgroepen, maar gegevens over de achtergronden van de kinderen worden pas geregistreerd als deze de basisschool bezoeken.
Het is dus een beetje gissen naar het bereik. Het aantal bereikte kinderen liep in 2002 in de grotere gemeenten op tot bijna 43.000. Volgens het ITS zijn ruim 40% van alle kinderen die nu de basisschool bezoeken naar een kinderdagverblijf geweest. Van peuterspeelzalen heeft ruim 70% van de kinderen gebruik gemaakt. Allochtone kinderen gaan veel minder naar peuterspeelzalen. Vooral Marokkaanse ouders houden hun kind vaak thuis. Via een speciale campagne (Forum) en door vroegsignalering door de ouder- en kindzorg wordt geprobeerd het bereik te vergroten.
Taalimpuls In 2002 is een start gemaakt met de ontwikkeling van een taallijn VVE, waarbij de onderdelen interactief voorlezen, mondeling communicatie en woordenschat centraal staan. In 2003 wordt deze taallijn geïmplementeerd in 7 sbd regio’s en vanaf najaar 2003 wordt ze intensief ondersteund vanuit de Z@ppelin programma’s van de publieke omroep. Deze taallijn is geen alternatief programma naast de al bestaande, maar biedt in aanvulling op en in combinatie met de bestaande programma’s een versterking van de taalcomponent.
De landelijke structuur van voorzieningen voor jonge kinderen In 2002 zijn er drie voorstellen gedaan om te komen tot een nieuwe structuur van voor- en vroegschoolse voorzieningen in Nederland. Er liggen adviezen van de Onderwijsraad, de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling en een uitwerking van scenario’s door Van Kampen. De achtergrond is dat de voorschoolse voorzieningen in Nederland versnipperd zijn, en vanuit verschillende overheden worden aangestuurd. Dit leidt tot een onoverzichtelijke situatie waarbij bovendien de kosten relatief hoog zijn en de rendementen deels weglekken. Dit verklaart mede waarom resultaten van Nederlands onderzoek naar voor- en vroegschoolse voorzieningen en programma’s zeer wisselend zijn, in vergelijking tot de overtuigende evidentie uit buitenlands onderzoek. Het is op dit moment onduidelijk of, wanneer en door wie er een poging zal worden ondernomen om het voorschoolse veld te structureren. Er is wel een wet op de kinderopvang in voorbereiding maar deze lijkt de huidige verkokering aan voorzieningen eerder te vergroten dan te verkleinen.
Praktijkvoorbeelden Actuele voorbeelden van voor- en vroegschoolse educatie in Nederland zijn onlangs beschreven in de Toa publicatie “Eerst de taart”. Hierin zijn levendige beschrijvingen te vinden van Arnhem, Breda, Lelystad, Almere, en Oss. Een breed scala van praktische problemen en daarvoor soms gevonden oplossingen komt naar voren. Met name de voor- en nadelen van vrije programma keuze door peuterspeelzalen en basisscholen raken het hart van het VVE beleid. Tevens wordt duidelijk dat het vervolg op het VVE traject, dus de aansluiting met groep drie van de basisschool, nu ten onrechte weinig aandacht krijgt in het beleid.
Aanbevolen literatuur Leseman, P. 2002. Onderzoek in de voor- en vroegschoolse periode; programmeringsstudie, Den Haag; NWO Geeft een zeer degelijk en bereflecteerd actueel overzicht van de stand van de wetenschappelijke kennis over de voor- en vroegschoolse periode. Het is vooral bedoeld voor wetenschappers, en dus niet populair geschreven, maar de moeite van enige inspanning ruimschoots waard.
Cleveland, G. en Krashinski, M. 2003. Financing ECEC services in OECD countries; Parijs; OECD Richt zich vooral op de economische kant van VVE, maar is op dat punt even degelijk als de publicatie van Leseman. Gaat in detail in op kosten, baten, en economische mechanismen die daarbij aan de orde kunnen zijn, prikt veel veronderstellingen die in het beleid gehanteerd worden genadeloos door.
Ministerie van OCW, 2003. Factsheet voor- en vroegschoolse educatie, internetsite www2.minocw.nl. Handig overzicht van het VVE beleid met links naar de relevante regelingen. Vooral informatief om te zien hoe het landelijk beleid eruit ziet.
Kloprogge, J. 2003. Voetsporen, voortgang en resultaten van gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid, Den Haag; Transferpunt Onderwijsachterstanden Geeft in kort bestek (25 pagina’s) een overzicht van de resultaten van het onderwijsachterstandenbeleid, incl. het VVE, vooral voor geïnteresseerden in instellingen, gemeenten, en de politiek.
Sociaal en Cultureel Planbureau, 2002. Rapportage Minderheden 2001; vorderingen op school, Den Haag; SCP Zeer gedetailleerde rapportage met overzicht van ontwikkelingen en onderzoek, maar ook door het SCP zelf uitgevoerde analyses. Vereist wel dat de lezer de materie tot op zekere hoogte beheerst.
VNG. 2003. Stand van Zaken VVE 2002, Den Haag, VNG. Resultaten van een enquête onder gemeenten die VVE beleid uitvoeren, met interessante mogelijkhedenvoor gemeenten tot benchmarking.
Transferpunt Onderwijsachterstanden.2003. Tussenbalans Onderwijsachterstandenbeleid, Den Haag; Toa. Stand van zaken van de ontwikkeling in het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid, met ruimschoots aandacht voor VVE.
Schonewille, B. J. Kloprogge, en A. van der Leij. 2000. Kaleidoscoop en Piramide, samenvattend evaluatierapport. Utrecht; Sardes Samenvatting van de evaluaties van de programma’s Piramide en Kaleidoscoop als onderdeel van het werk van de Evaluatie Begeleidingscommissie voor- en vroegschoolse educatie.
Unicef. 2002. A League Table of Educational Disadvantage in Rich Nations. Innocenti Report Card No 4. Florence; Innocenti research Centre Een specifieke vergelijking over de omvang van onderwijsachterstanden in 24 rijke landen, maar Nederland is hier niet in opgenomen. Opvallend dat de VS, waar jaarlijks tal van excursies naar toe worden georganiseerd, hier pas op de 18e plaats komt. Er zijn dus minstens 17 landen waar meer van te leren is.
Blok, H. R. Fukkink, E. Gebhardt, P. Leseman, 2003. The relevance of delivery mode and other program characteristics for the effectiveness of early childhood intervention with disadvantaged children, Amsterdam; SCO Een recent onderzoeksrapport met belangwekkende conclusies over welke factoren VVE programma’s effectief maken. In het Engels.
Schouten, E. en S. Vreugdenhill. 2003. Eerst de taart, voor- en vroegschoolse educatie in het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid 2002-2003. Den Haag; Transferpunt Onderwijsachterstanden. Beschrijving van het VVE beleid in een aantal gemeenten, met alle hoop en verwachten, meevallers en knelpunten, ter lering en soms ter vermaak.
Jo Kloprogge
11-09-2003

Download: Factsheet over VVE (40 kB)
|
 |