 |
|
 |
Reactie staatssecretaris Dijksma op kamervragen over onderzoek Schooten en Sleegers
Men dient zeer voorzichtig te zijn om conclusies uit het onderzoek in Oosterhout en Den Bosch door te trekken naar de landelijke situatie. Het gaat om kleinschalig onderzoek dat gedurende één schooljaar is uitgevoerd. Dit schrijft staatssecretaris Dijksma aan de Kamer in antwoord op vragen van de vaste commissie voor OCW, naar aanleiding van het onderzoek ‘Effectiviteit van vve en peuterspeelzalen in Oosterhout en Den Bosch’, uitgevoerd door het SCO Kohnstamm Instituut. Dijksma schrijft verder: “De onderzoekers brengen ook zelf regelmatig nuances aan bij de conclusies die zij trekken. Zo komt er bijvoorbeeld naar voren dat het programma Piramide in het onderzoek op sommige onderdelen een negatief effect heeft gehad op de peuters. In het onderzoek waren echter maar 16 peuters betrokken in de analyse op de Piramide-speelzaal. Het is echter bekend dat Piramide een programma is dat wetenschappelijk is onderbouwd en dat dit programma in andere gevallen wel effectief is gebleken.”
Conclusies voor het vve-beleid: “Uit diverse onderzoeken blijkt dat het bij het aanbieden van voor- en vroegschoolse educatie (vve) noodzakelijk is dat er gebruik wordt gemaakt van vve-programma's van bewezen kwaliteit en dat de programma's worden uitgevoerd onder goede condities. Als dit niet het geval is, is het effect van vve op de leerlingen minimaal tot nihil. Op 23 mei 2008 heeft u mijn brief ontvangen ‘Ontwikkelingskansen door kwaliteit en educatie’ (Kamerstukken II 2007/08, 31 322, nr. 24). Daarin heb ik aangegeven dat uit meerdere onderzoeken blijkt dat voor een optimaal resultaat een vve-programma het beste kan worden uitgevoerd onder de volgende voorwaarden:
- het wordt uitgevoerd in een peuterspeelzaal of kinderopvang, zo mogelijk in combinatie met een effectief thuisprogramma;
- er is sprake van een goede betrokkenheid van ouders bij de taalontwikkeling;
- het wordt aangeboden gedurende vier dagdelen per week;
- er is voorzien in een intensieve begeleiding van kinderen (een gunstige leidster/leerkrachtkindratio, bij voorkeur een dubbele bezetting);
- er is voorzien in een gedegen trainingscomponent en het programma wordt verzorgd door gekwalificeerd personeel;
- het heeft een doorgaande leerlijn van peuterspeelzaal/kinderopvang tot en met groep 2 van de basisschool, maar bij voorkeur langer.”
Mogelijke conclusies uit het onderzoek in Oosterhout en Den Bosch: “Uit het onderzoek kan een aantal lessen getrokken worden voor de betrokken peuterspeelzalen. Uit het onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat sommige werkwijzen wel effect hebben gehad op peuters en andere weer niet. Ik haal een aantal voorbeelden aan uit het rapport. Als peuters niet weten hoe zij iets moeten zeggen, blijkt het bijvoorbeeld effectief te zijn als de leidsters helpen door de eerste klank of het eerste woord te noemen. De peuter kan dan de zin afmaken. Werken in kleine groepjes blijkt ook een positief effect te hebben op de peuters. Voor peuters met laagopgeleide ouders blijkt het zelfs relatief veel effect te hebben. Als het gaat om het effect op de groei van de woordenschat, moeten groepjes wel uit meer dan 5 peuters bestaan. Als het gaat om de sociaal-emotionele ontwikkeling van de peuters, blijkt dat peuters met sommige achtergrondkenmerken op de peuterspeelzaal extroverter worden. Peuters met laagopgeleide ouders en peuters die thuis een vreemde taal spreken, blijken op dit punt te profiteren van de peuterspeelzaal. Als peuters thuis dialect spreken gaan zij minder vooruit. Dit onderzoek bevestigt conclusies uit eerdere onderzoeken dat de didactische vaardigheden en de algemene ervaring van de leidsters van groot belang zijn voor het slagen van het werken met vve.”
Brief van staatssecretaris Dijksma aan de voorzitter van de Tweede Kamer, Schriftelijke reactie onderzoek VVE, 5 maart 2009.
Schooten, E. van & P. Sleegers, ‘Onderzoek naar de effectiviteit van vve- en peuterspeelzalen in Oosterhout en Den Bosch’. Amsterdam: SCO-Kohnstamm Instituut, 2009.
www.nji.nl
17-03-2009

|
 |