Onderwijskansen Voor- en vroegschoolse educatie Voortijdig schoolverlaten Schoolloopbaan Nederlandse taal Onderwijsachterstanden

StartpaginaContactWegwijzerVergroten
Hier vindt u: Nieuws, Wet- en regelgeving, Beleid, Dossiers, Uitleg Actoren Hier vindt u: Het Forum, Vragen, Oproepen, Agenda, Stellingen Hier vindt u: Wat is nieuw? Uitgebreid zoeken, Bibliotheek, Instrumenten, Archief, Persoonlijke mail Meer informatie over/voor alle actoren: Gemeente, Schoolbestuur, Scholen, Instellingen, Gerangschikt per gemeente
Start > Zo zit 't in elkaar > Beleid

Beleidsvoornemens op het terrein van VVE en consequenties voor de uitvoering

Den Haag
28 april 2005


Geacht College, geacht Bestuur,

Met deze brief wil ik u informeren over de stand van zaken op het beleidsterrein van de voor- en vroegschoolse educatie (VVE) en over de consequenties hiervan voor de uitvoering van het VVE-beleid op lokaal niveau.

Scholen voor basisonderwijs ontvangen met ingang van 1 augustus 2005 extra middelen voor de bestrijding van (taal) achterstanden bij jonge kinderen. Voor de toekenning van deze middelen voor het schooljaar 2005-2006 is op 24 maart 2005 een ministeriële regeling gepubliceerd (OCenW-Regelingen; Uitleg, Gele Katern nummer 5, ‘Regeling toekenning extra achterstandenmiddelen aan basisscholen voor schooljaar, nr. 2005-2006’). Deze extra middelen, in totaal € 43,7 miljoen, worden per 1 augustus 2005 toegekend in een bedrag per schoolgewicht.

Scholen moeten, met behulp van deze middelen, voor alle achterstandsleerlingen zo vroeg mogelijk starten met het bestrijden van onderwijsachterstanden. Meer specifiek is het de bedoeling dat scholen de extra middelen afkomstig uit de motie Verhagen c.s. inzetten voor de bestrijding van onderwijsachterstanden in de groepen 1 tot en met 4, waaronder effectieve vroegschoolse programma's in de groepen 1 en 2. Om te bepalen welke aanpak individuele leerlingen nodig hebben, én om na te gaan of de gekozen aanpak effectief is, wordt van scholen verwacht dat zij, door middel van leerlingvolgsystemen waarin toetsen zijn opgenomen, de voortgang in de vorderingen van individuele achterstandsleerlingen in beeld brengen.

Door deze extra middelen voor scholen voor vroegtijdige bestrijding van onderwijsachterstanden, wordt het op lokaal niveau voor gemeenten mogelijk om, na overleg met schoolbesturen, een groter deel van de VVE-middelen, zoals deze door het Rijk aan gemeenten beschikbaar worden gesteld, in te zetten in de voorschoolse periode. Over deze mogelijkheid heb ik de Kamer geïnformeerd in mijn brieven van 22 en 29 oktober 2004 (Kamerstukken II, 2004/05,27 020, nr. 41 en 42). Tevens heb ik gewezen op de mogelijkheid om in een periode van vijf jaar (2006 tot 2011) het landelijk bereik van de doelgroep te verhogen van 50% naar 70%.

De komende jaren wil ik graag voortbouwen op de ervaringen en de opbrengsten die het VVE-beleid tot nu toe hebben opgeleverd, én zo effectief mogelijk gebruik maken van de extra impuls die voortvloeit uit de motie Verhagen c.s. Daarom zal ik de komende maanden een verkenning uitvoeren naar de meest effectieve en efficiënte verdeling van verantwoordelijkheden op het terrein van VVE en de instrumenten en arrangementen die hiervoor nodig en bruikbaar zijn. Hierbij zal ik gebruik maken van de ontwikkelingen binnen ‘Operatie Jong’ en uiteraard gemeenten en scholen betrekken. Het gaat met name om de vormgeving van de bestuurlijke regierol van gemeenten en de uitvoerende regierol van schoolbesturen. Ik verwacht de uitkomsten van deze verkenning in het najaar van 2005 te kunnen presenteren.

Op dit moment zijn gemeenten, conform het huidige Landelijk Beleidskader Gemeentelijk Onderwijsachterstandenbeleid (LBK GOA) dat tot 1 augustus 2006 van kracht is, verantwoordelijk voor het realiseren van de ambitie van 50% deelname van de doelgroep aan de gehele voor- en vroegschoolse educatie, inclusief de doorlopende leerlijn. Het is van groot belang dat de doorlopende leerlijn van voorschools educatie naar het basisonderwijs wordt gegarandeerd en dat de samenwerking die hiervoor nodig is tussen scholen en de voorschoolse sector en gemeenten wordt bestendigd. Van schoolbesturen wordt verwacht dat zij hieraan blijven meewerken en dat zij met behulp van de middelen afkomstig uit de motie Verhagen bewaken dat de doorlopende leerlijn gegarandeerd wordt. Bovenop het reeds bestaande beleid kunnen gemeenten en schoolbesturen op lokaal niveau afspraken maken over de inzet van de middelen die scholen extra ontvangen als gevolg van de motie Verhagen en het verhogen van de ambitie op lokaal niveau. Tot 1 augustus 2006 kan hiervoor het OOGO worden benut.

In het kader van het Grotestedenbeleid 2005-2009 (GSB III) hebben de betrokken gemeenten bij het formuleren van hun prestaties op het terrein van VVE de landelijke ambitie van 50% vertaald naar een eigen meetbare prestatie. Het Rijk heeft hierover met de afzonderlijke steden op 11 maart 2005 een GSB-prestatieconvenant gesloten. Op basis van de uitkomsten van de hierboven beschreven verkenning zal worden bepaald hoe de ambities op het terrein van VVE de komende jaren het meest efficiënt en effectief kunnen worden gerealiseerd. Zodra hierover meer helderheid is, zal ik u hiervan op de hoogte brengen.


Ik hoop u met deze brief voldoende te hebben geïnformeerd.
Hoogachtend, De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

(Maria J.A. van der Hoeven)

www.minocw.nl
11-05-2005

Lezersreacties

Geef een reactie op dit artikel
Lees voor het plaatsen van uw reactie eerst het reglement door.
Uw naam
Uw e-mailadres
Uw reactie

U kunt nog 500 tekens invoeren

Nieuw plaatje laten zien.


Printversie