 |
33.2.1
33.2.3
33.2.4
|
 |
Jeugbeleid uit de begroting 2005 van het Ministerie van VWS
33.1 Algemene beleidsdoelstelling
De positie van jeugdigen in de samenleving versterken, hun kansen vergroten en uitval tegengaan Belangrijkste nieuwe maatregelen: Deze maatregelen worden in dit artikel toegelicht.
We achten het zeer belangrijk voor de samenleving dat kinderen en jongeren tot verantwoordelijke burgers opgroeien. Daarbij speelt het gezin een belangrijke rol. Ouders zijn als eerste verantwoordelijk om hun kinderen op te voeden en te verzorgen. Als het gezin ondersteuning nodig heeft bij het opvoeden, dan zullen de ouders in eerste instantie een beroep op de sociale omgeving moeten doen. De overheid komt pas in beeld als het gezin en de sociale omgeving onvoldoende in staat blijken de problemen het hoofd te bieden. Daarnaast schept de overheid voorwaarden, zodat ouders de eigen verantwoordelijkheid goed kunnen invullen. De overheid moet ouders echter ook aanspreken, als zij de verantwoordelijkheid niet kunnen of willen invullen.
Ons beleid richten we op jeugdigen met meer risico op ontwikkelingsachterstand, ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen of ernstige problemen zoals voortijdig schoolverlaten of criminaliteit. We willen daarbij zo veel mogelijk preventief te werk gaan. Gemeenten en provincies spelen dan een centrale rol.
Verder willen we onze aanpak meer op de jeugd richten, om te voorkomen dat jeugdigen uitvallen. De jeugdige en het gezin staan in ons beleid centraal. Indien een beroep op de overheid gedaan wordt, dan is een sluitende keten van voorzieningen, vlakbij die jeugdigen en dat gezin, noodzakelijk om adequate hulp te bieden. Daarvoor moeten wij de juiste voorwaarden scheppen. Operatie Jong, een samenwerkingsverband tussen VWS, OCW, Justitie, SWZ, VROM, V&I en BZK, moet zorgen voor beleid dat de juiste voorwaarden schept voor samenhang in het jeugdbeleid. We vinden dat we daarbij open verantwoordelijkheden ter discussie moeten durven stellen. Ook moeten we elkaar aanspreken op «verkokering», juist vanuit het belang van de jeugdigen.
33.2 Operationele beleidsdoelstellingen 33.2.1 Het ontwikkelen en waarborgen van een adequaat stelsel van jeugdzorg
Beleidseffecten Jeugdigen met ernstige opvoed- en opgroeiproblemen moeten zo vroeg, zo dichtbij en zo licht mogelijk van de juiste hulp voorzien worden.
Aard van de verantwoordelijkheid Ons uitgangspunt is dat ouders in eerste instantie zelf verantwoordelijk zijn als zij hun kinderen opvoeden en verzorgen. Als ouders hiertoe niet (volledig) in staat blijken, kunnen zij in eerste instantie een beroep doen op hun sociale netwerk en op lokale voorzieningen (onder meer school, het consultatiebureau, de gezinscoach en algemeen maatschappelijk werk). Zijn de problemen met de opvoeding zo ernstig dat de lokale voorzieningen geen toereikende hulp kunnen bieden, dan kunnen jeugdigen en hun ouders/verzorgers een beroep doen op de jeugdzorg.
Om dit waar te kunnen maken, is de afgelopen jaren gewerkt aan een nieuwe Wet op de jeugdzorg (WJZ), die de Wet op de jeugdhulpverlening zal vervangen. De Eerste Kamer heeft de Wet op de jeugdzorg op 20 april 2004 aanvaard. De wet treedt op 1 januari 2005 in werking.
Wij zijn samen met Justitie verantwoordelijk voor het ontwikkelen en waarborgen van een goed werkend stelsel van jeugdzorg.
Instrumenten om deze doelstelling te verwezenlijken Wet- en regelgeving De Wet op de jeugdzorg vult de volgende drie doelstellingen in: - Een centrale, voor iedereen (ook voor jeugd-ggz en licht verstandelijk gehandicapte jeugd) herkenbare toegang tot de jeugdzorg: het Bureau Jeugdzorg (BJZ).
- De zorg passend en samenhangend aanbieden. De WJZ gaat uit van een vraaggestuurd aanbod. De provincies zijn hiervoor verantwoordelijk en financieren het aanbod.
- De positie van de cliënt versterken. In de WJZ staat de cliënt centraal. Om die reden is het recht op jeugdzorg ingevoerd en is geregeld dat de cliënt moet instemmen met het indicatiebesluit en het hulpverleningsplan.
- Samen met Justitie hebben wij besloten om jeugdigen die alleen beschermd moeten worden, niet langer in justitiële jeugdinrichtingen te plaatsen. Voor 1 januari 2005 zullen wij een nader uitgewerkt plan van aanpak aanbieden. Als onderdeel hiervan passen wij de Wet op de jeugdzorg aan.
Specifieke uitkeringen Op grond van de nieuwe wet verstrekken we aan provincies en grootstedelijke regio's doeluitkeringen om het zorgaanbod en de Bureaus Jeugdzorg te kunnen financieren. Daarmee moeten zij zorgen voor voldoende aanbod voor alle jeugdigen die hiervoor geïndiceerd zijn. De noodzaak (en dus het recht) tot jeugdzorg is mede afhankelijk van het probleemoplossend vermogen van het gezin en zijn omgeving. Voor 2004 tot en met 2006 geschiedt dit binnen het afgesproken financieel kader. Voor de toegangsfunctie van de jeugd-ggz naar het Bureau Jeugdzorg wordt met ingang van 2005 een bedrag van € 25 miljoen aan het beschikbare budget voor de jeugdzorg toegevoegd. In 2005 nemen we na overleg met de provincies een besluit over een nieuwe financieringssystematiek voor de jeugdzorg. Die systematiek gaat in per 1 januari 2007. Uitgangspunt van deze systematiek is, dat de middelen op macroniveau toereikend zijn voor de provincies om de wet uit te kunnen voeren. Hierbij prikkelen we de provincies dit op een zo doelmatig mogelijke wijze te doen. Daarmee doen we recht aan de verantwoordelijkheden die de verschillende partijen dragen.
Subsidies en opdrachten We zetten subsidies en opdrachten in om steunfuncties voor de jeugdzorg in stand te houden. Zo hopen we onder andere de deskundigheid te bevorderen en de informatievoorziening te verbeteren (Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn (NIZW) en de Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen (NVP)). Daarnaast zetten we subsidies in om het Landelijk Beleidskader Jeugdzorg uit te kunnen voeren.
Landelijk beleidskader Op grond van de Wet op de jeugdzorg stellen VWS en Justitie eenmaal in de vier jaar een Landelijk Beleidskader Jeugdzorg vast, dat ze op prinsjesdag naar de Staten-Generaal zenden. Het landelijk beleidskader bevat de uitgangspunten van het beleid dat de provincies en grootstedelijke regio's uitvoeren. Voor de komende planperiode 20052008 zijn in het landelijk beleidskader instrumenten opgenomen om de doelstellingen te kunnen behalen.
- Kwaliteitsprogramma 20042006
De Wet op jeugdzorg biedt het kader om de jeugdzorg te optimaliseren. We moeten de komende jaren de jeugdzorg gericht aanpakken om deze daadwerkelijk volgens de wet uit te voeren en de effectiviteit en de kwaliteit te verhogen. Met het oog daarop hebben wij in bestuurlijk overleg toegezegd dat er in 2004 tot en met 2006 jaarlijks € 4 miljoen beschikbaar is voor een kwaliteitsimpuls voor de sector jeugdzorg. Het gaat hier om tijdelijke projectsubsidies die bedoeld zijn om een eerste aanzet te geven om de kwaliteit te verbeteren. Deze activiteiten zullen vervolgens structureel ingebed moeten worden. Het gaat daarbij om de aandachtsgebieden financiering, informatiehuishouding, kwaliteit en innovatie. Hierbij leggen we onder meer het accent op een normprijsonderzoek bij Bureaus Jeugdzorg, een monitor om de doelmatigheid te ontwikkelen, een onderzoek naar tarieven in de jeugdzorg en het voornemen de criteria voor indicatiestelling te ontwikkelen.
- Monitor budgettair kader jeugdzorg
Om de jeugdzorg binnen het beschikbare budget uit te kunnen voeren, is het noodzakelijk dat doelmatigheidswinst wordt geboekt. Met andere woorden: we moeten met de beschikbare middelen meer cliënten helpen. Daarom starten we een monitor om zicht te krijgen op hoe de vraag en de doelmatigheid in de jeugdzorg zich ontwikkelen.
- Jeugdzorgbrigade
Het doel van de jeugdzorgbrigade is onnodige bureaucratie aan te pakken. We willen kijken of er verbeteringen in de uitvoering van de Wet op de jeugdzorg mogelijk zijn. Zo kunnen we de jeugdzorg beter laten presteren. Na uiterlijk twee jaar (voor 1 januari 2007) stelt de brigade een eindrapport op over de bereikte resultaten. Daarin geeft de brigade ook suggesties om de bureaucratie te verminderen, als dat nog noodzakelijk is.
Handhaving De Inspectie Jeugdzorg houdt toezicht op de kwaliteit van de jeugdzorg (zie artikel 37.b Inspectie Jeugdzorg).
33.2.2 Het toereikend voorzien in financiering van opvang in internaten voor kinderen van binnenschippers en kermisexploitanten, voorzover deze vorm van opvang in verband met de aard van het beroep voor hun minderjarige schoolgaande kinderen nodig is
Beleidseffecten Voldoende opvangcapaciteit creëren in internaten of pleeggezinnen voor leerplichtige kinderen van binnenschippers, kermisexploitanten en circusartiesten die niet beschikken over een vaste woon- of verblijfplaats.
Aard van de verantwoordelijkheid De Leerplichtwet verbiedt dat kinderen steeds van andere scholen gebruik (moeten) maken.
Wij zijn direct verantwoordelijk voor de subsidiëring van de Centrale Stichting van Internaten voor Schippers- en Kermisjeugd (CENSIS). CENSIS is verantwoordelijk voor de huisvesting, verzorging en opvoeding van kinderen van binnenvaartschippers, kermisexploitanten en circusartiesten in internaten of pleeggezinnen.
Instrumenten om deze doelstelling te verwezenlijken Subsidies Sinds 1 januari 2001 is de Subsidieregeling welzijnsbeleid van kracht. Op grond van deze regeling verstrekken we per feitelijk geplaatst kind een subsidiebedrag (normbedrag) aan CENSIS. CENSIS geeft met periodieke rapportages inzicht in het kwaliteitsbeleid en de kwaliteitsontwikkeling van de huisvesting, verzorging en opvoeding van kinderen. Het aantal geplaatste kinderen zal naar verwachting de komende jaren afnemen (zie tabel 33.1). Dit heeft consequenties voor het personeel in de internaten. Wij verstrekken aan CENSIS een vergoeding om de mobiliteit van boventallige werknemers te bevorderen. Dit doet VWS op grond van het kabinetsstandpunt naar aanleiding van het eindrapport van de Adviescommissie Schippersinternaten. In 2005 evalueren we de bestaande subsidieregeling.
| Tabel 33.1: Aantal gehuisveste kinderen in schippersinternaten (peildatum 15 september 2003) | | Jaar | 2002 | 2003 | 2004 | 2005 | 2006 | 2007 | 2008 |
| Realisatie | Realisatie | Raming | Raming | Raming | Raming | Raming | | Aantal kinderen | 1 311 | 1 252 | 1 223 | 1 193 | 1 165 | 1 135 | 1 116 | Bron: ingediende subsidieaanvraag CENSIS 2004
Ontvangsten De ouders/verzorgers van de kinderen in internaten of pleeggezinnen betalen een eigen bijdrage. Deze is sinds 1 januari 2001 inkomensafhankelijk en wordt jaarlijks geïndexeerd. De ontvangsten 2005 worden geraamd op een bedrag van € 1,6 miljoen.
33.2.3 Het bevorderen van participatie en toegankelijkheid
Beleidseffecten Voor een optimale ontwikkeling van jeugdigen zorgen door een grotere maatschappelijke betrokkenheid en actief burgerschap te stimuleren: meedoen. Dit «meedoen» willen wij stimuleren door jeugdigen invloed te geven op zaken die hen aangaan en door ze aan te sporen vrijwilligerswerk te doen.
Aard van de verantwoordelijkheid Wij zijn direct verantwoordelijk voor de ontwikkeling van de infrastructuur die participatie bevordert en het maatschappelijke draagvlak voor jeugdparticipatie vergroot. Kaders voor het beleid zijn de Welzijnswet, het VN-verdrag (Verenigde Naties) voor de Rechten van het Kind en het EU-witboek (Europese Unie) Jeugd.
Instrumenten om deze doelstelling te verwezenlijken
Subsidies en opdrachten- De Nationale Jeugdraad (NJR) krijgt subsidie om als spreekbuis voor de jeugd bij de overheid te fungeren. In 2004 hebben we de werking en resultaten van de NJR geëvalueerd. De belangrijkste conclusie is dat de basis van de organisatie goed staat, maar dat we ongeorganiseerde jongeren en in het bijzonder jongeren met een achterstand beter moeten bereiken. In 2005 zullen we het programma van de NJR hierop aanpassen.
- We stimuleren het vrijwilligerswerk voor, door en met jeugdigen middels een tijdelijke (20042006) subsidieregeling voor landelijke vrijwilligersorganisaties. Voor de periode 20042006 is hiervoor in totaal € 7,1 miljoen beschikbaar. We streven ernaar het aantal jeugdige vrijwilligers met circa 19 000 te laten toenemen per 2007.
33.2.4 Het ondersteunen van lokaal sociaal beleid
Beleidseffecten Jeugdigen en ouders moeten informatie, opvoedingshulp en -ondersteuning kunnen krijgen. Dit voorkomt dat ze een beroep moeten doen op zwaardere en duurdere voorzieningen zoals de jeugdzorg. Daarom is voor ons de belangrijkste doelstelling voor het lokaal (preventief) jeugdbeleid dat we de basisinfrastructuur van het lokale jeugdbeleid versterken. Hierdoor vergroten we de ontwikkelkansen van jeugdigen en dringen we problemen en overlast terug.
Op lokaal niveau moeten buurt-, onderwijs-, sport- en jeugdvoorzieningen beter samenwerken. Wij stimuleren dat gemeenten nieuwe aansprekende activiteiten aanbieden. Vanuit preventieoogpunt besteden we extra aandacht aan kwetsbare jeugdigen.
Aard van de verantwoordelijkheid Rijksbreed hebben wij de indirecte verantwoordelijkheid voor het lokale jeugdbeleid. Daartoe creëren we randvoorwaarden. Uitgangspunt is dat gemeenten verantwoordelijk zijn om het lokale jeugdbeleid vorm te geven en uit te voeren. Provincies zijn verantwoordelijk voor de jeugdzorg en verantwoordelijk om de gemeenten bij het uitvoerende werk te ondersteunen. Een van de thema's van Operatie Jong bestaat uit de te verduidelijken verantwoordelijkheidsverdeling.
Instrumenten om deze doelstelling te verwezenlijken
Subsidies en opdrachten - We stimuleren de samenwerking tussen organisaties in de buurt, het onderwijs en de sport (BOS) door een tijdelijke stimuleringsregeling voor gemeenten. In 2005 is daarvoor € 8,8 miljoen beschikbaar (zie ook artikelen Sport en DLB).
- In het kader van het Hoofdlijnenakkoord zijn op de begroting van VWS en Justitie middelen beschikbaar gesteld voor opvoed- en gezinsondersteuning op lokaal niveau. Door pedagogische begeleiding te bieden en zorg aan gezinnen te coördineren trachten we het aantal jeugdigen terug te dringen dat risico loopt op ontwikkelingsachterstanden en ernstige problemen (voortijdig schoolverlaten, criminaliteit). In totaal is hiervoor in 2004 € 3,4 miljoen beschikbaar, oplopend tot € 15 miljoen in 2007.
- Samen met OCW, SZW en VROM faciliteren we op landelijk niveau de verdere ontwikkeling van brede scholen. Kern van het bredeschoolconcept is dat onderwijs en welzijnsinstellingen in de wijk samenwerken.
- In 2003 hebben we met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), het Interprovinciaal Overleg (IPO) en de Maatschappelijk Ondernemers Groep (MOGroep) afspraken gemaakt over de vijf functies van het preventieve jeugdbeleid die op lokaal niveau minimaal aanwezig moeten zijn. Het gaat om de functies advies en informatie, signaleren van problemen, toegang tot het hulpaanbod, licht pedagogische hulp en coördinatie van zorg. Deze functies vormen de basis voor het lokale jeugdbeleid van gemeenten en daarmee verbinden we de voorzieningen op het terrein van welzijn, onderwijs en zorg. Vanaf het najaar 2004, doorlopend in 2005, starten we in nauwe samenwerking met de VNG, IPO en andere bestuurlijke partners een ondersteuningstraject. Met dit traject verspreiden we goede voorbeelden en ondersteunen we gemeenten bij de invulling van de vijf functies en de regierol die gemeenten daarop moeten voeren.
Wet- en regelgeving De gemeentelijke verantwoordelijkheid voor het jeugdbeleid zal in de nieuwe Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO) vastgelegd worden, als het parlement hiermee instemt. De vijf bovengenoemde functies worden als een concreet prestatieveld benoemd. Dat betekent dat de gemeenten ze moeten betrekken in hun overwegingen, als ze het in de WMO vereiste vierjarige plan opstellen. De WMO treedt volgens planning per 2006 in werking.
Verder zal in de loop van 2005 uit de verschillende thema's van Operatie-Jong blijken of de regelgeving aangepast wordt om belemmeringen weg te nemen die lokale partijen ervaren als ze de jeugdketen sluitend maken.
33.2.5 Het stimuleren van onderzoek, monitoring en informatievoorziening
Beleidseffecten Goede kennis- en informatievoorziening zijn een voorwaarde voor een samenhangend interbestuurlijk en intersectoraal jeugdbeleid van overheden. We willen weten hoe het met de jeugd gaat en wat de effecten van het gevoerde rijksbrede jeugdbeleid zijn om te bepalen of we het beleid moeten aanpassen. In 2004 zullen we nader onderzoeken hoe kennisinstituten die werkzaam zijn voor de sector jeugd in 2005/2006 tot een gezamenlijke programmering kunnen komen.
Aard van de verantwoordelijkheid In het kader van Operatie Jong ontwikkelen wij de landelijke jeugdmonitor en verbeteren we de effectiviteit van het beleid met toetsing. Verder hebben wij ons aandeel in de uitvoering van het kabinetsstandpunt over het advies van de commissie Jeugd, Geweld en Media.
Instrumenten om deze doelstelling te verwezenlijken
Subsidies/opdrachten - In 2005 geven wij opdracht om een aantal verbetertrajecten voor de landelijke jeugdmonitor uit te voeren en de effectiviteittoets verder te ontwikkelen.
- Wij leveren een financiële bijdrage aan het Nederlands Instituut voor de Classificatie van Audiovisuele Media (NICAM).
- Het NIZW International Centre is aangewezen als het Nationaal Agentschap om het EU-programma Jeugd tot en met 2006 uit te voeren. Het gaat hierbij om groepsuitwisselingen, jongereninitiatieven, Europees Vrijwilligerswerk (European Voluntary Service (EVS)) voor jongeren en ondersteunende activiteiten zoals studiebezoeken, trainingen, seminars, informatie en onderzoeken.
33.3 Budgettaire gevolgen van beleid
| Begrotingsuitgaven (bedragen x € 1 000) |
| 2003 | 2004 | 2005 | 2006 | 2007 | 2008 | 2009 | | Verplichtingen | 851 805 | 884 657 | 877 895 | 887 928 | 891 347 | 891 141 | 890 842 |
|
|
|
|
|
|
|
| | Uitgaven | 821 509 | 854 084 | 869 113 | 882 029 | 891 347 | 891 141 | 890 842 |
|
|
|
|
|
|
|
| | Programma-uitgaven | 818 755 | 851 640 | 866 889 | 879 837 | 889 155 | 888 949 | 888 650 | | Adequaat stelsel van jeugdzorg | 776 068 | 801 587 | 831 869 | 843 685 | 851 630 | 851 629 | 851 630 | | Waarvan bijdragen aan baten-lasten diensten | 211 | 211 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | | Waarvan specifieke uitkeringen | 738 735 | 762 961 | 795 964 | 807 964 | 815 972 | 815 972 | 815 973 | | Internaten voor kinderen binnenschippers | 24 590 | 25 903 | 22 943 | 22 207 | 21 700 | 21 495 | 21 195 | | Participatie en toegankelijkheid | 9 499 | 13 327 | 3 190 | 3 195 | 3 695 | 3 695 | 3 695 | | Lokaal sociaal beleid | 5 642 | 8 210 | 6 516 | 8 379 | 9 760 | 9 760 | 9 760 | | Waarvan specifieke uitkeringen | 2 078 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | | Onderzoek en informatievoorziening | 2 956 | 2 613 | 2 371 | 2 371 | 2 370 | 2 370 | 2 370 |
|
|
|
|
|
|
|
| | Apparaatsuitgaven | 2 754 | 2 444 | 2 224 | 2 192 | 2 192 | 2 192 | 2 192 |
|
|
|
|
|
|
|
| | Ontvangsten | 14 178 | 7 586 | 7 530 | 7 530 | 7 530 | 7 530 | 7 530 |
| Begrotingsflexibiliteit (bedragen x € 1 000) |
|
|
| 2005 |
| 2006 |
| 2007 |
| 2008 |
| 2009 | | 1 | Totaal geraamde kasuitgaven |
| 869 113 |
| 882 029 |
| 891 347 |
| 891 141 |
| 890 842 | | 2 | Waarvan apparaatsuitgaven |
| 2 224 |
| 2 192 |
| 2 192 |
| 2 192 |
| 2 192 | | 3 | Programma uitgaven |
| 866 889 |
| 879 837 |
| 889 155 |
| 888 949 |
| 888 650 |
| Waarvan op 1 januari 2005 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| | 4 | Juridisch verplicht | 99% | 855 899 | 0% | 2 854 | 0% | 204 | 0% | 204 | 0% | 204 | | 5 | Bestuurlijk gebonden | 1% | 8 600 | 100% | 874 526 | 99% | 883 820 | 99% | 883 514 | 99% | 883 264 | | 6 | Beleidsmatig gereserveerd | 0% | 2 360 | 0% | 2 360 | 1% | 5 035 | 1% | 5 035 | 1% | 5 035 | | 7 | Beleidsmatig nog niet ingevuld | 0% | 30 | 0% | 97 | 0% | 96 | 0% | 196 | 0% | 147 | | 8 | Totaal | 100% | 866 889 | 100% | 879 837 | 100% | 889 155 | 100% | 888 949 | 100% | 888 650 |
De post «juridisch verplicht» bestaat in 2005 voor het overgrote deel uit middelen voor de doeluitkeringen uit hoofde van de jeugdzorg (€ 798 miljoen in 2006, oplopend tot € 807 miljoen in 2009). Daarnaast bestaat deze post voor circa € 25 miljoen uit de landelijke instellingen jeugdhulpverlening en voor ruim € 21 miljoen uit CENSIS. Vanaf 2006 zijn deze posten opgenomen onder de post «bestuurlijk gebonden».
33.4 Evaluatieprogrammering
| tabel 33.2: Evaluatieprogrammering 20052009 | | Doelstellingen | 2005 | 2006 | 2007 | 2008 | 2009 |
|
|
|
|
|
| | Algemene doelstelling |
|
|
|
|
| | De positie van jeugdigen in de samenleving versterken, hun kansen vergroten en uitval tegengaan | | | X | X | X |
|
|
|
|
|
| | Operationele doelstelling 1 |
|
|
|
|
| | Het ontwikkelen en waarborgen van een adequaat stelsel van jeugdzorg | | | X | | |
|
|
|
|
|
| | Operationele doelstelling 2 |
|
|
|
|
| | Het toereikend voorzien in financiering van opvang in internaten voor kinderen van binnenschippers en kermisexploitanten | | X | | | |
|
|
|
|
|
| | Operationele doelstelling 3 |
|
|
|
|
| | Het bevorderen van participatie en toegankelijkheid | X | | X | | |
|
|
|
|
|
| | Operationele doelstelling 4 |
|
|
|
|
| | Het ondersteunen van lokaal sociaal beleid | | | X | X | X |
|
|
|
|
|
| | Operationele doelstelling 5 |
|
|
|
|
| | Het stimuleren van onderzoek, monitoring en informatievoorziening |
|
|
|
|
|
Redactie Onderwijsachterstanden.nl 13-10-2004

|
 |