 |
Download
Averechts effect
Startkwalificatie
Kopje onder
Bemoeizorg
|
 |
Woonwagen- en zigeunerkinderen ten onder in achterstandenbeleid
Naar aanleiding van het verschijnen van de trendstudie ' Onderwijsdeelname van woonwagen- en zigeunerkinderen in de 20e eeuw' een gesprek met Wim Brouns, voormalig directeur van een Sinti-school en schoolbegeleider in de Westelijke Mijnstreek. De afgelopen decennia is via de inzet van consulenten en gerichte ondersteuningsprogramma's veel energie gestoken in de bevordering van de deelname van woonwagen- en zigeunerkinderen aan het (regulier) primair en voortgezet onderwijs. En niet zonder resultaat. Toch dreigen deze kwetsbare resultaten tenietgedaan te worden door de voortschrijdende individualisering binnen onze samenleving, de versnippering van de middelen en aandacht voor deze doelgroep binnen het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid en een ontbrekend overheidsbeleid ten aanzien van woonwagenbewoners en zigeuners.
„Op een dag kregen we Jacques Wallage op bezoek, toen nog staatssecretaris van Onderwijs. We zaten samen met een aantal zigeuners om de tafel. In het midden had ik een glazen bol neergelegd met een doek erover. Een glazen bol, want daar zijn zigeuners immers om bekend: de toekomst voorspellen. Ik heb toen de doek eraf gehaald en gezegd: ‘Kijk, de bol is leeg. Doordat een duidelijk beleid van de overheid ontbreekt, kunnen we de toekomst niet meer voorspellen.’" Deze anekdote van Wim Brouns gaat ongeveer tien jaar terug, toen hij nog directeur was van een school voor Sinti-kinderen in het Zuid-Limburgse Stein. In 1996 sloot deze school de deuren, als laatste centrumschool in Nederland. Sindsdien werkt Brouns als schoolbegeleider in de Westelijke Mijnstreek, een regio die diverse groepen met in totaal 473 woonwagen- en zigeunerkinderen telt, waarvan ongeveer een kwart Sinti- en Roma-kinderen. Nu, tien jaar later, hekelt Brouns nog steeds het ontbreken van een duidelijk overheidsbeleid. „Als we een referendum houden over wat er moet gebeuren met de Marokkanen in Nederland, dan weten we wat de uitslag feitelijk toetst. Het zegt iets over de angst voor een groeiende werkeloosheid, voor onveiligheid en oplevende criminaliteit, maar niets over het democratisch gehalte van de voorgestelde maatregelen. Hetzelfde geldt voor de maatregelen ten aanzien van woonwagenbewoners en zigeuners: het ontbreekt aan een duidelijk democratisch geweten, een heldere visie van de overheid, waaraan gemeenten hun handelen kunnen toetsen. Het ontbreekt aan de wil om te investeren in de veiligheid van de samenleving. Dit leidt tot korte termijn-maatregelen die voortkomen uit een kortzichtige visie."
Als voorbeeld noemt Brouns het harde optreden van de Maastrichtse burgemeester Gerd Leers op woonwagenkamp De Vinkenslag. „Het beleid van Leers zit op de lijn van repressie. Daar is op zich niets op tegen, omdat het een gevolg is van jarenlang gedogen. Maar het ontbreekt aan begeleiding van de bewoners, aan het creëren van mogelijkheden om deze mensen een andere weg te laten gaan, aan een duidelijk geformuleerd traject met haalbare tussendoelen." DiepgeworteldBrouns beschrijft een diepgewortelde kloof tussen woonwagenbewoners en zigeuners enerzijds en overheid en burgerbevolking anderzijds. Die kloof, waarop een groot deel van de onderwijsachterstand van woonwagen- en zigeunerkinderen te herleiden valt, ontstaat aan het begin van de twintigste eeuw. Door de emancipatie (lees: onderwijs) van de rest van de bevolking raken woonwagenbewoners steeds verder in een isolement. Ze krijgen de schuld van veel problemen en worden zelfs uit het onderwijs geweerd.
Ondanks de Leerplichtwet van 1900 en een bepaling uit de Wet op Woonwagens en Woonschepen van 1918 die ouders verplicht hun kinderen naar school te sturen als zij langer dan 28 dagen in één gemeente verblijven, volgen woonwagen- en zigeunerkinderen tot 1950 nauwelijks onderwijs. Noch de ouders, die zelf analfabeet zijn, noch de scholen en gemeenten, die deze bevolkingsgroep als ongewenst ervaren, zien het nut ervan in. Na 1950 groeit de bemoeienis van de overheid. Het beleid van de overheid is er aanvankelijk voornamelijk op gericht om woonwagenbewoners te concentreren in grote regionale kampen met eigen categorale voorzieningen zoals scholen. Maar inmiddels hebben de woonwagenbewoners en zigeuners een overlevingsstrategie ontwikkeld die hen niet afhankelijk maakt van onderwijs. De motivatie om onderwijs te volgen is dan ook erg laag. Brouns: „Deze mensen werden als het ware buiten de maatschappij geplaatst. En ja, als je mensen apart zet, dan gaan ze zich ook apart gedragen."
Averechts effect In de jaren zeventig en tachtig verandert het beleid van de overheid. Het richt zich nu niet langer op gedwongen concentratie, maar op gedwongen integratie. De kampen worden uiteengehaald en de bewoners worden ondergebracht in kleine, lokale woonwagencentra. Dit geldt ook voor de woonwagencentrumscholen. Het aantal centrumscholen wordt afgebouwd en de kinderen worden op reguliere scholen geplaatst. Deze maatregelen hadden volgens Brouns vooral een averechts effect. „Ze hebben eigenlijk alleen het wantrouwen tegenover de overheid gevoed. De woonwagenbewoners en zigeuners hadden voor de zoveelste keer het gevoel dat er besluiten werden genomen voor hen of over hen, maar niet met hen." Volgens Brouns worden woonwagenbewoners en zigeuners nog altijd niet als volwaardige gesprekspartners gezien. „Het is merkwaardig dat een overheid die mondigheid predikt, diezelfde mondigheid niet altijd kan waarderen en zich nogal hautain opstelt. Dit leidt onder woonwagenbewoners en zigeuners tot een basishouding van verzet tegen alles wat de overheid doet, tegen de maatregelen die ze neemt, of ze nou goed(bedoeld) zijn of niet." Met de geleidelijke instroom van leerlingen in het reguliere basisonderwijs, worden ook de leerachterstanden van woonwagen- en zigeunerkinderen goed zichtbaar. Opmerkelijk is dat deze achterstand in de loop van de basisschool steeds groter wordt. Het verwijzingspercentage naar het speciaal onderwijs is met 14 procent dan ook erg hoog.
Om de achterstanden terug te dringen, wordt in de jaren negentig veel geïnvesteerd in de voor- en vroegschoolse educatie van deze doelgroep. Het betreft voornamelijk programma's met activiteiten voor thuis, aan de wagen. „Woonwagen- en zigeunerouders hebben vanuit hun traditie moeite om de zorg voor hun kinderen aan anderen over te laten", licht Wim Brouns toe. „Daarnaast is het heel goed om ze bij dit soort activiteiten te betrekken. Ze kennen geen traditie van voorlezen en de ontwikkeling van hun kind stimuleren. De beperkte ruimte in een woonwagen leent zich daar vaak ook niet toe. Je kunt ouders leren daar goed mee om te gaan."
Startkwalificatie Lange tijd was het primair onderwijs voor woonwagen- en zigeunerkinderen ook eindonderwijs. Vanaf 1985 groeit langzaam ook de deelname van woonwagen- en zigeunerkinderen aan het voortgezet onderwijs door de inzet van speciale owwz-consulenten. Een moeizaam proces omdat noch de scholen noch de woonwagenbewoners en zigeuners zelf enthousiast en gemotiveerd zijn. Momenteel neemt ongeveer 90 procent van de woonwagen- en zigeunerkinderen deel aan het voortgezet onderwijs. Daarvan volgt ongeveer een vijfde een vorm van voortgezet speciaal onderwijs, bijna vier keer zo veel als voor alle Nederlandse kinderen. Verder zijn ze oververtegenwoordigd in de laagste regionen van het onderwijs.
Veel leerlingen haken voortijdig af en slechts weinigen behalen een startkwalificatie. Uit het opleiden tot een beroep putten woonwagenbewoners en zigeuners slechts weinig motivatie om deel te nemen aan het onderwijs. Van oudsher oefent deze groep traditionele, zelfstandige beroepen uit waarvoor ze niet afhankelijk zijn van een opleiding. Slechts weinigen werken in loondienst en de werkloosheid is hoog. In die gevallen dat leerlingen wel een diploma behalen, blijkt het vinden en behouden van werk een volgend probleem. Aan de ene kant nemen werkgevers deze jongeren niet gemakkelijk in dienst. Aan de andere kant blijken woonwagen- en zigeunerjongeren die wél een baan vinden, niet altijd over het gewenste arbeidsethos te beschikken, waardoor zij hun plek ook weer snel verliezen. Het zijn ervaringen die ook voor jongere woonwagen- en zigeunerkinderen niet echt motiverend werken om hun opleiding af te maken.
Kopje onder Er is de afgelopen dertig jaar veel veranderd en verbeterd. „Ik herinner me dat op een dag een moeder naar me toe kwam", verhaalt Wim Brouns. „Het was halverwege de jaren zeventig. 'Als je mijn kind vandaag nou lezen leert,' zei ze, 'dan kom ik morgen terug en dan kun je hem leren rekenen. En overmorgen ben ik er ook nog, dan kun je hem leren schrijven.' De verwachtingen van woonwagen- en zigeunerouders zijn een stuk realistischer geworden en ze zijn ook meer gemotiveerd om hun kinderen onderwijs te laten volgen. En recentelijk het is ons zelfs gelukt, zij het met veel extra begeleiding, om een vijftal jongeren toe te leiden naar een goede plek op de arbeidsmarkt."
Toch ziet Brouns de toekomst voor het onderwijs aan woonwagen en zigeunerkinderen (owwz) niet echt rooskleurig. „We zien bij deze groep alle facetten van het achterstandenbeleid: de voor- en vroegschoolse educatie, een hoge verwijzing naar het speciaal onderwijs, veel voortijdig schoolverlaten. Alles stapelt zich bij deze kinderen op: taalproblemen, sociaal-emotionele problemen. Maar binnen het totaal aantal goa-doelgroepen dreigen ze kopje onder te gaan." Sinds 1 augustus 2002 ontvangen centrumgemeenten geen owwz-gelden meer, maar zijn deze middelen op basis van een gewichtenregeling verrekend in de goa-gelden. Doordat iedere gemeente nu een eigen budget krijgt, neemt de versnippering toe. Bovendien zijn deze middelen niet geoormerkt. „De woonwagen- en zigeunerkinderen vormen een relatief kleine groep die het, waar het om de aandacht van gemeenten gaat, al snel aflegt tegen de vaak veel grotere groepen allochtone jongeren die met problematisch gedrag meer van zich laten horen. Er is behoefte aan coördinatoren op dit gebied, maar veel owwz-expertise is de afgelopen jaren wegbezuinigd."
Bemoeizorg Eenvoudige oplossingen voor de problemen met woonwagen- en zigeunerkinderen binnen het onderwijs zijn er niet. Ze komen met name voort uit de cultuurverschillen tussen de burgermaatschappij en de woonwagenbewoners en zigeuners. De wij-cultuur van de woonwagenbewoners en zigeuners staat volgens Brouns haaks op de steeds toenemende individualisering binnen onze samenleving. „Waar wij in Nederland behoefte aan hebben is een stukje 'bemoeizorg' naar elkaar. Het probleem van de woonwagenbewoners en zigeuners vraagt om een duidelijke, consistente inzet op lange termijn, vanuit vertrouwen, respect en betrokkenheid."
Volgens Brouns vormt het onderwijs de kiem voor verandering in dit toch grotendeels maatschappelijk probleem. „Het is de plaats waar waarden uitgewisseld kunnen worden, waar contacten met ouders gelegd kunnen worden en stappen kunnen worden gezet om wederzijds vertrouwen te herwinnen."
De trendstudie ' Onderwijsdeelname van woonwagen- en zigeunerkinderen in de 20e eeuw' beschrijft aan de hand van projectgegevens de ontwikkelingen en knelpunten in het onderwijs aan woonwagen en zigeunerkinderen, met name vanaf de jaren zeventig tot vandaag. Deze publicatie is samengesteld door Ria Timmermans en Astrid van den Hurk, en is voor € 12, te bestellen bij KPC Groep, afdeling Verkoop, telefoon 073 6247 354 (bestelnummer 53.00.14).
Dit artikel is verschenen in TooN, jaargang 6, nummer 8, oktober 2003
Albert Cox/TooN 14-10-2003

Download: Het artikel (36 kB)

|
 |