 |
Download
|
 |
Onderwijs en schoolkleur
Uit Allochtonen in Nederland 2004, CBS
Niet-westerse allochtonen verlaten het Nederlandse onderwijssysteem gemiddeld met een lager onderwijsniveau dan autochtone leerlingen. Al in het basisonderwijs lopen allochtone leerlingen met laag opgeleide ouders achterstand op. In het voortgezet onderwijs volgen niet-westers allochtone leerlingen vooral de lagere onderwijsniveaus. Op HAVO en VWO zijn zij ondervertegenwoordigd. Dit heeft weer gevolgen voor hun deelname aan het hoger onderwijs. Weliswaar stromen niet-westerse allochtonen relatief vaker door naar vervolgonderwijs van een hoger niveau, maar zij zijn weinig aanwezig in het hoger beroepsonderwijs of wetenschappelijk onderwijs. De economische studierichtingen en rechten zijn binnen het hoger onderwijs veruit het meest populair.
In het schooljaar 2003/'04 had een kwart van de leerlingen in het basisonderwijs (exclusief het speciaal onderwijs) laag opgeleide ouders. Meer dan de helft van die leerlingen was van allochtone herkomst. Allochtone kinderen van wie de ouders een laag opleidingsniveau hebben, komen vaker één of meer jaar later van de basisschool dan autochtone kinderen met laag opgeleide ouders. Van deze groep allochtone kinderen is eenderde wel eens blijven zitten 1), tegen 24 procent van de overeenkomstige autochtone groep en 15 procent van de overige leerlingen. Jongens lopen vaker vertraging op dan meisjes. Gemiddeld komt 21 procent van de jongens en 17 procent van de meisjes later van de basisschool dan gebruikelijk. Dit verschil is het kleinst bij allochtone kinderen met laag opgeleide ouders.
Gekleurde scholen In de grote steden wonen veel meer allochtonen dan daarbuiten. De scholen zijn daar dan ook meer “gekleurd”. Zo heeft in de vier grote steden de helft van de basisscholen meer dan 50 procent niet-westers allochtone leerlingen. In de rest van Nederland is dat 4 procent. Toch is niet op alle scholen de populatie een exacte weerspiegeling van de bevolking uit de directe omgeving. Bij de keuze van een middelbare school zijn de leerlingen bijvoorbeeld minder aan de directe omgeving gebonden dan bij de basisschool. Ouders kiezen een school op basis van kwaliteit, onderwijsmethode, sfeer, veiligheid en afstand. Diverse onderzoeken wijzen uit dat zowel autochtonen als “beter gesitueerde” allochtonen vaker naar buitengebieden op school gaan. Ouders zijn huiverig voor de grootsteedse sfeer van veelal gekleurde scholen die in hun ogen teveel door achterstandsleerlingen worden bevolkt. Een niet-westers allochtone leerling zit vaak op een sterker “gekleurde” basisschool dan een autochtone of westers allochtone leerling. Zo heeft een niet-westers allochtone leerling op een basisschool in de vier grote steden gemiddeld 73 procent niet-westers allochtone medeleerlingen. Een autochtone of westers allochtone leerling heeft 27 procent niet-westers allochtone schoolgenoten, bijna 3 keer zo weinig. Buiten de vier grote steden verschilt dit een factor 5.
Basisscholen naar aandeel niet-westers allochtone leerlingen, 2003/'04
 Bron: CBS, CFI (OCW)
Niet westerse allochtone schoolgenoten op basisscholen, 2003/'04
 Bron: CBS, CFI (OCW)
Iets meer dan de helft van de leerlingen op de basisscholen in Amsterdam en Rotterdam zijn van niet-westers allochtone herkomst. In Rotterdam is echter het aandeel “zwarte scholen” groter. Daar is op bijna 60 procent van de basisscholen meer dan de helft van de leerlingen van niet-westers allochtone herkomst. Op 40 procent van de scholen zijn acht van de tien leerlingen nietwesters allochtoon. In Den Haag is even minder dan de helft van de leerlingen op basisscholen niet-westers allochtoon. Het aandeel “zwarte” scholen is ook wat minder groot dan in Amsterdam en Rotterdam. Maar de gemiddelde niet-westers allochtone leerling op een Haagse basisschool heeft 75 procent schoolgenoten die ook niet-westers allochtoon zijn, en dat percentage is het hoogst van alle onderscheiden gebieden. Daarentegen zitten autochtonen en westerse allochtonen in Den Haag op relatief weinig “gekleurde” scholen. Dit duidt op een wat hogere segregatie. Waarschijnlijk zijn de niet-westers allochtone leerlingen in Den Haag meer geconcentreerd in bepaalde buurten en wijken. (Ook binnen de scholen voor voortgezet onderwijs is sprake van segregatie 3). Deze is, net als bij de basisscholen, voor een groot deel het gevolg van de ruimtelijke segregatie in Nederland. Niet-westerse allochtonen op het VBO bijvoorbeeld, zitten in de grote steden gemiddeld met 73 procent andere nietwesterse allochtonen in een examenklas. In de rest van Nederland is dat 24 procent. Bij autochtone VBO-ers liggen deze percentages op 44 en 11. Verder laten de cijfers nog eens duidelijk zien dat de deelname van niet-westers allochtone leerlingen per schoolsoort nogal verschilt. Het percentage niet-westerse allochtonen onder de eindexamenkandidaten VWO bedroeg 7, terwijl op het VBO 20 procent van de eindexamenkandidaten van niet-westers allochtone herkomst was. De verhouding in de gemiddelde “schoolkleur” van niet-westers allochtone en autochtone leerlingen loopt echter voor de verschillende schooltypen weinig uiteen, wanneer rekening wordt gehouden met de ongelijke deelname per schoolsoort. Dit betekent dat de segregatie op scholen voor VBO en MAVO niet sterker is dan op HAVO- en VWO-scholen.
Niet westerse allochtone klasgenoten van eindexamenkandidaten voortgezet onderwijs, 2003/'04
 Bron: Inspectie van Onderwijs, CBS, IB-groep
Redactie Onderwijsachterstanden.nl 10-01-2005

Download: Allochtonen in Nederland 2004 (417 kB)
Indien u geen PDF bestanden kunt openen, download dan hier het programma

|
 |